Zalige zot

Genialiteit en gekte liggen dicht tegen elkaar aan. Ze zijn als een kibbelend stel dat wel van elkaar af wil, maar niet van elkaar af kan omdat ze financieel afhankelijk van elkaar zijn. Ze kunnen niet zonder elkaar, willen eigenlijk niet met elkaar, maar houden elkaar in stand.

Lang niet alle geniale sporters zijn gek en lang niet alle gekke sporters zijn geniaal. Roger Federer – het opperhoofd van alle sporters – is geniaal, briljant zelfs, maar hij is niet gek. Wat hij doet is onnatuurlijk en daarom hebben we het vandaag een keer niet over hem.

Gekte is namelijk wel natuurlijk. Ik denk dat wij allemaal een beetje gek zijn, maar dat het zich vooral in extreme situaties uit. En topsport is en blijft nou eenmaal extreem, zeker wanneer er gespeeld wordt om de miljoenen van de Premier League, een cup met grote oren in de Champions League of een gouden plak op een Olympisch eindtoernooi.

Geniale gekken. Ze lopen als een rode draad door de geschiedenis. Michelangelo, Nikola Tesla, Vincent Van Gogh, om er zo maar even een paar op te noemen. Het waren creatieve geniën die op een andere manier naar de wereld keken. Zij creëerden het onbekende door gebruik te maken van het bekende en maakten daarmee iets onbekends bekend (snap je hem nog?). Ze waren ook een beetje gek. Michelangelo hield zijn laarzen zo lang aan dat de huid van zijn voeten loszat en verdween als een slangenhuid, Nikola Tesla was bezeten van het getal drie (en bovendien verliefd op een duif) en Vincent Van Gogh sneed zijn eigen oor eraf.

Bruno Martini, Jean-Claude Lemoult, Antonio Cassano, Christian Wilhelmsson, Matthew Simmons. Je herkent misschien een paar van deze namen, maar ik hoor je denken: wat hebben deze mannen met elkaar gemeen?

Sommigen van hen waren goede voetballers, sommigen waren middelmatige voetballers en één van hen was niet eens een noemenswaardig voetballer (tenzij je een voorstopper van het twaalfde team van Alleyn Old Boys of iedere andere amateurclub in Londen een noemenswaardige voetballer vindt natuurlijk). Maar waarom worden ze dan in één adem genoemd?

Het antwoord is simpel. Ze waren allemaal het slachtoffer van een geniale gek.

Bruno Martini was keeper van AJ Auxerre en de Franse nationale ploeg toen hij in 1987 vol op zijn kanis werd gemept. Een blauw oog was het gevolg. Jean-Claude Lemoult speelde voor Montpellier en kreeg het na een verloren wedstrijd tegen Lille aan de stok met een teamgenoot. Jean-Claude kreeg nog geen tel later een voetbalschoen in zijn gezicht. Pats! Antonio Cassano gaf een interview na een wedstrijd voor AC Milan toen zijn teamgenoot hem opeens keihard tegen zijn hoofd trapte. Het is een verhaal dat Christian Wilhelmsson bekend voor moet komen, want ook hij kreeg ooit uit het niets een trap van een teamgenoot.

En wie is dan die Matthew Simmons? Inmiddels weten we dat hij het slachtoffer was van een geniale gek, maar wat gebeurde er? In plaats van op het veld, stond hij aan de andere kant van de boarding, opgewonden schreeuwend tegen de tegenstander van Crystal Palace, zijn cluppie, toen zijn mond opeens met een karatetrap gesnoerd werd. Toegegeven: het was deels zijn eigen schuld, want hij verkondigde luidkeels dat de moeder van de dader het oudste beroep van de wereld beoefende. Niet slim. Zeker niet als je het over de moeder van een gek hebt. 

De aanslagplegers? Eric Cantona en Zlatan Ibrahimović.

Ze zijn geniaal – stiftjes met de ogen dicht, afstandsschoten die door de geluidsbarrière gaan, een bal voor open doel opwippen om de tegenstander nog even extra te dollen, de hele verdediging van NAC Breda uitkappen, omhaalgoals vanaf veertig meter maken – maar ook een beetje gek.

Zalig om naar te kijken, maar ook een beetje zot.

 

 

 

Laat een reactie achter