Wat komt en wat gekomen is

Om vijf uur ging de wekker, maar Gerard was al klaarwakker. Hij drukte het alarm uit voordat de eerste toon aan kracht kon winnen, zodat zijn vrouw nog even door kon slapen. Terwijl zij bewegingloos onder de met roze bloemen geborduurde deken lag, stond Gerard op. Hij liep naar het raam van de slaapkamer en keek naar buiten. Het was nog donker. De straat was stil. Er was geen mens, geen hond, geen kat te zien. Alleen de voorjaarswind was aanwezig in de Minister De Savornin Lohmanlaan.

Een half uur later reed Gerard met zijn trekker over zijn land. Het was geen grote John Deere of JCB met een maiskneuzer erachter, maar een kleine grasmaaier die hij zelf omgebouwd had, een soort minitrekker waarmee hij een sleepnet over een groot rood veld voorttrok. Gerards land bevond zich namelijk midden in Enschede en bestond uit de acht tennisbanen van tennisvereniging Topspinners, waarvoor hij even goed zorgde als voor zijn vrouw. Een uil liet weten dat Gerard niet alleen was en de groundsman knikte goedgemutst terug naar een van de eikenbomen achter de tennisbanen. Dit was zijn favoriete moment van de dag. Wanneer Enschede sliep, het veld van het Van Heekpark niet vol lag met jonge tortelduifjes en het nagenoeg perfect ronde grindpad dat eromheen liep voor eens niet verstopt met een groep hardlopers, was Gerard op zijn wakkerst. Terwijl de maan wachtte totdat de zon het stokje zou overnemen, vulde Gerard de gaten in de banen op met vers gravel, repareerde hij de versleten touwen van de netten en stampte hij de lijnen aan. De achterlijn, de tramrails, de servicelijn, zelfs het midden-merkje. Het eerste licht van de dag gloorde al door de vaalgroene doeken die achter de banen hingen toen Gerard eindelijk klaar was.

Terwijl de groundsman genoot van een verdiend kopje koffie, dienden de eerste tennissers zich aan. Het was de eerste dag van het buitenseizoen. De lokale tennisschool, Approach, trainde met een groep nationale en internationale toppers, soms bij Topspinners maar vaker elders in Enschede. In de textielstad, waar de plaatselijke voetbalvereniging zelfs volgens de meest optimistische supporter nooit landskampioen zou worden, haalde men haar schouders op over het feit dat de top van het Nederlandse tennis samen met buitenlandse talenten hun zweetdruppels stortten in het gemalen baksteen van een tennispark in hun stad. Als men er überhaupt al weet van had.  

Gerard verwachtte geen rustige dag. Er was geen regen voorspeld en hij hoefde de banen dus niet droog te sponsen wanneer ze nat werden, maar dit type tennissers zorgde altijd voor meer werk dan nodig was. Ze zeurden namelijk om alles. De ballen, de wind, de zon, maar vooral over de baan. Al snel kreeg Gerard gelijk en galmden er jammerende kreten over het tennispark die nog bij de Grolschfabriek te horen moesten zijn. “Wat een kutbaan. Geen bal stuitert hetzelfde. Welke clown is hier de groundsman?”

Ondanks de boze en waarschuwende reacties van de trainers ging het gezeik de hele ochtend door, maar wat Gerard opviel was dat er alleen Nederlands gejammer over het park vloog. Uit de buitenlandse monden hoorde hij hooguit een lach na een mooie bal of een juichkreet na een gewonnen punt.

Gedurende de ochtend keek de groundsman zijn ogen uit bij het zien van het niveau van de spelers. Hij was vooral onder de indruk van een reus van een vent die werkelijk iedere bal die op hem afgevuurd werd terug wist te brengen, of hij nou met zijn pik op het net of met zijn kont in het hek stond. Hij had een service als een kanon en hij las het spel zo goed, dat het leek alsof hij de dag ervoor een opname had gezien van de trainingssessie en het tig keer had teruggekeken. Het was alsof hij voorspellende gaven had. Altijd stond hij op de goede plaats, alsof hij wist waar de ballen komen gingen.

De reus reeg de hoogstandjes aaneen, maar hij bleef rustig. Hij won zijn servicepunten met speels gemak en aces waren eerder regel dan uitzondering, maar hij bleef rustig. Zelfs toen er een bal wegsprong op een heel belangrijk punt van een oefenpotje – Gerard keek op dat moment toevallig naar een overvliegende duif – bleef hij rustig.

Wie was deze jongen? Zijn kin en wangen waren bedekt met de vlassige sprietjes van een jonge matroos die droomt over een kapiteinsbaard. Hij was lang en slungelig, maar straalde desalniettemin een soort oerkracht uit, de kracht van een ossenkalf voordat hij uitgroeit tot een breedgebouwde stier.

Zijn naam was Nenad Zimonjić en hij bezat meer talent in zijn rechtervinger dan alle leden van tennisvereniging Topspinners tezamen. En dat is niet eens overdreven, want de feiten spreken in Nenads voordeel. Hij won acht Grand Slam titels, drie in het herendubbelspel en vijf in het gemengd dubbelspel. Dat zijn er evenveel als Andre Agassi, alhoewel de Amerikaan het in het enkelspel presteerde. Zimonjić, Serviër van geboorte, zegevierde driemaal op Wimbledon, driemaal op Roland Garros en tweemaal op de Australian Open. Alleen een eindoverwinning in de US Open ontbreekt dus op zijn Grand Slam palmares.

En toch was het niet alleen zijn tennistalent dat ertoe leidde dat Nenad Zimonjić het schopte tot de eerste plek op de wereldranglijst voor het dubbelspel. Hij stond tenslotte niet alleen op de baan. Hij trainde met talenten die het tennisspel ook bijzonder goed beheersden. En Nenad won ook lang niet al zijn wedstrijden. Maar wat maakte dan het verschil? Waarom haalde de boomlange Serviër de wereldtop, waar anderen dat niet deden?

Het antwoord zit hem in Gerards werk. In de gravelbaan van Topspinners. Hoeveel liefde de oude groundsman ook in de banen stopt, gravel blijft gravel en ballen blijven wegspringen. Het is een element dat niet te beïnvloeden is, net zoals de wind, de zon en de ballen dat niet zijn. Nenad Zimonjić was grotere gaten gewend dan de kuiltjes in de gravelbanen van Topspinners. Als tiener liep hij langs granaatkraters, littekens in het prachtige Joegoslavische landschap. Een oneffenheid in het gravel of een scheef gelegde achterlijn? Nenad haalde er zijn schouders over op. Hij accepteerde het, zoals hij alle elementen die hij niet kon beïnvloeden accepteerde. Hoe slechter de baan, des te beter voor mij. Zoiets moet hij gedacht hebben. Hij had er namelijk geen last van, zijn tegenstanders wel.

Dus toen die bal wegsprong op dat erg belangrijke punt en een ander het wellicht uitgeschreeuwd had van frustratie, gaf Nenad geen kik. Hij haalde zijn schouders op en dacht alleen maar aan wat wel belangrijk was. De toekomst. Dat wat komt. Het volgende punt. De volgende bal. Wellicht dat zijn rust doorstraalde op de anderen op de baan, want hij en een flink aantal van zijn trainingsmaatjes haalden de top en wonnen meerdere toernooien op de ATP en WTA Tour, de tennisfederaties die professionele toernooien organiseren voor respectievelijk mannen en vrouwen.

De ATP-toernooien waren zeker niet de enige competities die Nenad zou winnen, want in 2010 won hij de Davis Cup, samen met onder meer Novak Djokovic. Zonder twijfel speelde Nenads kalmte en aanpassingsvermogen ook in die overwinning een belangrijke rol. En terwijl hij in Belgrado onthaald werd door duizenden fans, dacht hij wellicht terug aan een mooie voorjaarsdag in Enschede, toen hij in de schaduw van de eikenbomen van het Van Heekpark zijn fundering legde op een prachtige gravelbaan met hier en daar een kuiltje.

Notitie: Dit verhaal is biografische fictie en is zowel een eerbetoon aan de hardwerkende groundsmen op de Nederlandse tennisparken als aan een toptennisser die naar mijn mening te weinig waardering heeft gekregen voor zijn prestaties. Nenad Zimonjić groeide op in Belgrado en verhuisde als tiener naar Enschede. Daar trainde hij in de periode van 1997 tot 1999 bij de in Enschede gevestigde Tennisschool Approach. Zijn trainingsmaatjes waren onder anderen Raemon Sluiter, Lotty Seelen en Stephanie Gomperts.

 

 

____________________________________
CHECK DEZE GRAVELBIJTERS

  

1 reactie

  • wist niet dat jij zo’n schrijverstalent had met een rijke fantasie.

    Gerard

Laat een reactie achter