Tiet zat

Op dinsdag 2 november in het jaar 2010 woonde ik in Groningen. Aan de Helper Brink om precies te zijn. Het was een fijn studentenhuis waar steevast vierentwintig flesjes bier koud lagen in de koelkast en lege kratjes zich opstapelden tegen de muur totdat het plafond bereikt was en het echt tijd was om ze weg te brengen naar de Albert Heijn om de hoek. Ik woonde er samen met mijn vrienden. 

Normaal gesproken gingen we op dinsdagavond de stad in. De avond zou er ongeveer zo uitzien: we aten een pizza (tenzij Roland zin had om chicken in the hood te maken) en na het eten kwamen de kaarten op tafel. Eerst een potje toepen om de rotklusjes; de verliezers zouden de keuken schoonmaken, de trap stofzuigen of dat ellendige doucheputje schoonmaken. Geloof me, tijdens dat laatste potje wilde niemand verliezen en was het zo stil in huis dat zelfs de buurvrouw niets te klagen had. Na het toepen gingen we mexen of kingsen en daarna zouden we de stad in gaan. Eerst naar de Rumba waar een pilsje tot één uur zestig cent (!) kostte en vervolgens naar de Negende Cirkel.

Maar op die dinsdag verliep mijn avond anders. Rond zeven uur ging de bel. Ik rende de trap af (ons studentenhuis was gevestigd op de eerste, tweede en derde verdieping) en nog voordat ik de deur opengetrokken had, stormde mijn oom langs me heen.

“Waar is de wc?” vroeg hij.

Toen ik naar boven wees, zakte hij bijna van ellende door zijn knieën, maar hij rende de trap op, schreeuwde in het voorbijgaan tegen mijn vrienden dat hij zich na het doen van zijn behoefte zou voorstellen en verdween in het kleinste kamertje van ons huis.

Het klinkt misschien een beetje vreemd, maar hij had zich nogal gehaast die dag. Mijn vader had hem namelijk bij zijn werk opgehaald en mijn oom had tijdens de rit van Oldenzaal naar Groningen constant aan de telefoon gehangen. Hij was zo druk dat hij vergeten was om naar de wc te gaan. Ik hoor je denken: die man had zijn prioriteiten niet op orde, want waarom wachtte hij niet even tot alle telefoontjes gepleegd zijn voordat hij halsoverkop naar Groningen vertrok?

Nou het zit zo: we hadden vier kaartjes voor Werder Bremen tegen FC Twente. Jawel, een van de zes wedstrijden die FC Twente speelde in het eindtoernooi van de Champions League. We zouden Nacer Chadli, Marc Janko, Luuk de Jong en natuurlijk Bryan Ruiz zien schitteren in het Weserstadion. 

Maar dan moesten we wel op tijd zijn.

En dus vertrokken mijn vader, mijn oom, mijn broertje en ik zo snel als we konden. Ik denk dat mijn oom de enige is die van alle ruimtes in mijn oude studentenhuis het langst op de wc heeft doorgebracht.

We raasden over de autobaan naar Bremen waar de rivier de Weser als een spatader doorheen stroomt. In die tijd begonnen de Champions League wedstrijden om kwart voor negen. Wij reden om half negen de stad binnen.

Toen diende een probleem zich aan. “Er is nergens een parkeerplaats”, zei mijn vader. Hij had gelijk. De Osterdeich, de weg langs de rivier, stond helemaal vol met auto’s en bussen. Nergens was er een plekje dat groot genoeg was voor de (toch niet al te grote) auto van mijn vader. 

“Teruggaan en een stuk lopen?” opperde iemand.

Ik keek naar het stadion dat voor ons opdoemde. De lichten waren al aan. Het glom haast, als een groene saffier, zo aanlokkelijk was het. Daar zou het gebeuren. Daar moesten we naar toe. “Nee”, zei ik. “We parkeren er zo dicht mogelijk bij. Vooraan is altijd plek.”

En dus reden we verder. En jawel: in een doodlopende zijstraat vonden we een minuscuul plekje waaraan niemand zich gewaagd had. Mijn vader parkeerde zijn auto voorwaarts in file tussen een slagboom en een bestelbus. Daarna renden we naar het stadion. We keken niet eens of onze parkeerplaats wel rechtsgeldig was. Afgesleept worden was een probleem voor later.

Het was inmiddels twintig minuten voor negen. We lieten onze kaartjes zien bij de poorten van het stadion. We kwamen meer en meer fans van onze club tegen, maar liepen broederlijk met de aanhangers van Werder Bremen richting de poort van het uitvak.

Mijn vader kwam een bekende tegen. Hij sprak me met een dubbele tong aan en vroeg of ik Nikki was. “Ik heet Tom”, zei ik. “Nikki is mijn zusje.” Hij hoorde me niet eens. Bijna iedereen was dronken. En wij ook.

Dronken van geluk, want toen we de trap naar het uitvak helemaal beklommen hadden begon de Champions League hymne te spelen. Violen zo mooi dat je er kippenvel van krijgt en tranen zich opwellen in de hoeken van je ogen.

We waren precies op tijd en hebben alles gezien. De acties van Bryan Ruiz, de rode kaart van Torsten Frings, de pegels van Naldo en de goals van Nacer Chadli en Luuk de Jong. Het was tot nu toe de mooiste voetbalavond uit mijn leven.

Werder Bremen is inmiddels, na veertig jaar in de Bundesliga gespeeld te hebben, gedegradeerd naar het tweede niveau van Duitsland. De club verdient beter. Als Twentefan weet ik hoe het voelt om in een klasse te spelen waar je (voor je gevoel) niet thuishoort. Ik wens ze alle sterkte en hoop dat ik op 2 november 2027 (die ook op een dinsdag valt) opnieuw in het Weserstadion kan zijn om een Champions League wedstrijd tussen mijn club en Werder Bremen bij te wonen.

Dat betekent dat we nog vijf voetbalseizoenen hebben om daar te komen. Tiet zat!

 

Laat een reactie achter