Een ode aan de mat

Vroeger had ik een undercut, of zoals we dat in Twente noemen: opskeer. Na jarenlang, vanaf de nadagen van mijn middelbareschooltijd tot in de herfst van mijn studentenleven, door het leven te zijn gegaan in het gezelschap van een lange mat, had ik er genoeg van; mijn manen moesten eraan geloven.

Waarom ik de tientjeskapper in Helpman de opdracht gaf om de snoeischaar in mijn zorgvuldig gespaarde lokken te zetten, weet ik nog goed. Bij ons in Groningen aan de Helper Brink viel namelijk iedere ochtend de NRC Next door de brievenbus en één van de publicaties stond een grote advertentie van David Beckham. Met een undercut.

De kapper moet zich als Indiana Jones in de jungle hebben gevoeld, zich een weg kappend door vergroeiingen waarachter ieder moment een ondier tevoorschijn kon springen (geintje natuurlijk; ik was dan wel een student, maar wel een schone student!).

Afijn. Uiteindelijk slenterde ik, enigszins onwennig over mijn nek wrijvend over de plekken waar de wind mijn huid streelde, terug naar huis om me op te maken voor een potje FIFA tegen Peter of Mike, mijn vrienden en huisgenoten. Ik kan me niet meer herinneren of ik L.A. Galaxy als team koos die dag, met een gekortwiekte David Beckham als de helderste ster van mijn team.   

Maar nu ik, jaren later (fuck, ik word ouder en ouder) terugkijk op mijn besluit om mijn lange blonde lokken in te ruilen voor iets, of eigenlijk voor niets, moet ik toegeven dat ik me gespiegeld heb aan het verkeerde voorbeeld.

Want de mooiste voetballers hebben namelijk lange haren. Van de sierlijkste buitenspeler tot de meest verfijnde verdedigers; allen hebben een mat die swingt op de cadans van hun bewegingen.

Ga maar na. Robbie Rensenbrink, het slangenmens. Hij voetbalde niet, hij danste. Kappen, draaien, passeren. Zijn lange haren gaven het ritme van zijn choreografie aan, als het drumstel tijdens een jazzconcert.

Johan Cruijff. Enkel omdat hij ervoor koos om de tijd te nemen voordat hij zijn dribbel inzette, wisten zijn tegenstanders hoe mooi zijn haren waren wanneer hij stilstond. Had Johan ervoor gekozen om altijd in beweging te zijn, dan wisten verdedigers, van Günther de Haan van het FC Haarlem van 1970 tot Berti Vogts van het West-Duitsland van 1974, enkel hoe zijn lange mat zwierde als hij langs hen heen snelde.

Onze eigen Bryan Ruiz was er net zo één. Wat een geweldige mat had hij, vooral wanneer het regende. Als hij zich op een doorsnee Twentse dag een weg langs zijn tegenstanders schaarde, dan zag je de druppels die in de vacht van de wezel leefden door de lucht zweven, fonkelend als vuurvliegjes wanneer het licht van De Veste ze bescheen.

En lange manen kleuren niet alleen sierlijke aanvallers; ook de hardste verdedigers hebben haren tot op hun schouders. Paolo Maldini, Allessandro Nesta, Carles Puyol, Sergio Ramos, Virgil Van Dijk, Epi Drost. De excentriekste verdedigers, zij die eigenlijk meer zijn dan verdedigers, hebben mooie haren. Of beter gezegd en zoals ik eerder al zei: de mooiste voetballers hebben lange haren.

Sommigen kiezen ervoor om, net als ik destijds, hun lange haren in te wisselen voor een kapsel dat makkelijker te onderhouden is. Maar dit is eigenlijk altijd een slecht besluit: ze gaan er namelijk op achteruit en raken een deel van hun genialiteit kwijt. Fernando Torres was een tovenaarsleerling bij Atlético en werd een toverkunstenaar bij Liverpool, maar toen hij de transfer naar Chelsea maakte en zijn koppie kaal schoor, verloor hij al zijn magie. En zeg eens eerlijk, was Messi niet veel briljanter toen hij nog schouderlange haren had, zijn bewegingen en loopacties even onvoorspelbaar als de wildheid van zijn manen?

Het zou natuurlijk kunnen dat Torres niet zo goed paste in de stijl van spelen van Chelsea of dat Messi een deel van zijn motivatie verloor na het binnenslepen van al die prijzen, maar ik vind het mooi om te geloven dat ze met het kortwieken van hun haren een deel van hun ziel verloren zijn.

De mat symboliseert ontembaarheid. En de mooiste mat behoorde toe aan Francesco Totti. Waarom? Ik weet het niet. Misschien omdat hij ooit dezelfde fout maakte als ik en besloot om zijn lange blonde lokken weg te gooien. Toen Francesco Totti nog jong was en zijn haren even lang waren als de dienstjaren die hij nog voor zich had, dartelde, streed, zwierde en vocht er een Centurion met engelenhaar in het Olympisch Stadion. Ik zal de panenka waarmee Totti Edwin Van der Sar tijdens het EK in 2000 deed krimpen tot de grootte van een smurf nooit vergeten. Ik was destijds tien jaar oud en nog herinner ik me hoe de lokken van de Romeinse godenzoon over zijn in azuur gegoten schouders vielen als gouden korenaren.

Mijn nek is ondertussen ook weer voorzien van een goudkleurig plakkaat en ik ben er even trots als zuinig op. Toegegeven, zo mooi als de lokken van Francesco Totti ooit waren, zullen die van mij nooit worden, want als je thuis wordt betiteld als de plumeau dan weet je genoeg.

 

 

Laat een reactie achter