De ware matadors

Traditiegetrouw is op de laatste maandag van augustus, afgelopen maandag dus, het hoofdtoernooi van de US Open begonnen. Om meerdere redenen zal dit een vreemde editie worden. Zo zijn de tribunes leeg, iets dat bij een tennistweestrijd misschien nog wel vreemder oogt, maar vooral aanhoort, dan bij een voetbalwedstrijd, en doen de twee grootste spelers ooit niet mee. De ene omdat hij geblesseerd is en de andere omdat hij het niet verantwoord vindt. Ik vind dat ze allebei een goede reden hebben om afwezig te zijn.

Al met al is het deelnemersveld dus enigszins bijzonder te noemen en ik ben dan ook heel benieuwd wie er wint. Als ik iemand zou moeten aanwijzen bij de mannen, dan hoop ik op Stefanos Tsitsipas, maar eigenlijk vind ik alles best zolang het Novak Djokovic niet is. Bij de vrouwen hoop ik dat er historie geschreven gaat worden en dat Serena Williams het record van het meeste aantal gewonnen Grand Slams van Margeret Court evenaart. Een record dat op vierentwintig staat. Of anders hoop ik dat Kim Clijsters haar comeback in een vergulde rand in kan lijsten.

Maar goed, het wordt dus sowieso een vreemde de US Open en daarom wil ik het niet hebben over het heden, maar over het verleden. Er valt namelijk veel te vertellen over dit toernooi. En vooral over de locatie waarop het jarenlang georganiseerd werd, The West Side Tennis Club in Forest Hills, Queens.

Forest Hills. Tot de zomer van 2018 was ik er zelf nog nooit geweest. Daarvoor was het niet meer dan een plek op de kaart, een paar haltes op de metrolijn, te ver weg van mijn appartement in East Village. Maar daar kwam verandering in. Na een wedstrijd van de New York City Football Club in het Yankee Stadium te hebben bijgewoond, waar Andrea Pirlo net uitgezwaaid was en David Villa nog steeds de aanvoerdersband droeg, besloten een vriend en ik om naar een concert te gaan in Forest Hills. Nathaniel Rateliff & The Night Sweets traden er op, samen met The Head and The Heart. Son of a bitch, wat een lineup! De kaartjes kosten niks en dus namen we de F train naar Queens. Enigszins verlamd van de hobbelige metrorit stapte ik ongeveer een uur later vanuit het ondergrondse universum de bovenwereld en een onontdekt deel van de stad in. Queens staat bekend om haar diversiteit en wordt niet voor niets het stadsdeel van de wereld genoemd. Het straatbeeld in de wijk Forest Hills bevestigt deze bijnaam meer dan een beetje. Aan de ene kant doen de huizen Duits aan door de houten balken die de stenen ondersteunen, terwijl aan de andere kant de restaurants elkaar afwisselen met koosjere, Aziatische en Latijns Amerikaanse keukens.

Het was druk en warm terwijl ik vanaf de metro door de met bomen omgeven straten van Forest Hills liep, stappen in de schaduw afwisselend met stappen in de zon. De weg van de metro naar de locatie van het concert duurde voor mij veel te kort, want het optreden zou plaatsvinden in niets minder dan het Forest Hills Stadium en de weg ernaartoe was als een wandeling door een snoepfabriek.

Wat Camp Nou is voor het voetbal, is het Forest Hills Stadium voor het tennis. In deze U-vormige, ietwat Romeins aanvoelende, arena werd namelijk jarenlang de US Open gespeeld. In die tijd lagen er perfect onderhouden grasbanen in plaats van hardcourtbanen. Tot 1978 waren de beste tennissers van de wereld hier in hardnekkige gevechten verwikkeld, wedstrijden waarbij de eerste sets soms meer dan twintig games telden. Na 1978 verhuisde de US Open naar een moderner en groter onderkomen vier mijl verderop, het Billie Jean King National Tennis Center in Flushing Meadows. Daar torent het Arthur Ashe Stadium als een eenzame berg boven het park in Queens uit. Degene naar wie die tempel vernoemd is, schitterde er zelf echter nooit. Zijn arena was het Forest Hills Stadium. Het stadion waarnaar ik op weg was. Ondanks dat het in principe een tennisstadion is, zijn vele grootheden de bands die ik bijwoonde voorgegaan. Frank Sinatra, Jimi Hendrix, The Who, Simon & Garfunkel en Bob Dylan zijn slechts enkele voorbeelden van de grote artiesten die hun warme, harmonieuze en rauwe stemmen door het oude bouwwerk hebben laten galmen. En toch zijn in mijn ogen de tennissers de ware matadors van deze arena.    

Terwijl ik omringd door duizenden concertgangers door een smalle straat liep, doemde het stadion voor me op. De vaalgele stenen glommen in het rode licht van de ondergaande zon. De muren waren bevlekt en smerig, het onkruid kroop omhoog langs de oude poorten. Soms is glorie het mooist als het nét vergaan is en dat was hier zeker het geval. De weg naar het stadion liep door een tunnel voorzien van muurschilderingen van oude helden. Ik glimlachte naar één van hen, een donkere jongeman met een enorme bril op zijn mooie, onschuldige gezicht, Arthur Ashe. Met een biertje in mijn linkerhand en een hotdog in mijn rechterhand beklom ik een paar minuten later de oude tribunes. Voor mijn gevoel was ik in een andere wereld beland en ik waande me in de schoenen van Alice of Dorothy.

Terwijl de band het ene na het andere nummer de wereld inblies en de zon langzaam opgeslokt werd door de skyline van Manhattan, dwaalden mijn gedachten af. De muziek, die hoorde ik niet eens. Mijn geest was ergens anders, op dezelfde plaats, maar in een andere tijd. In mijn hoofd was het 8 september 1968 in plaats van 9 juni 2018. In plaats van het rauwe gezang van Nathaniel Rateliff, hoorde ik het gekreun van Tom Okker die met hangende schouders van rechts naar links sjokte na opnieuw een ace van zijn tegenstander om zijn oren gekregen te hebben in de finale van de US Open van 1968. Het jaar dat het begin van de Open Era aanduidde, waarin amateurs het mochten opnemen tegen de professionals. Op de plek waar de gitarist klanken tot leven bracht met zijn gitaar, zag ik de snaren van het instrument dat Arthur Ashe hanteerde, trillen na een achteloze en perfect geplaatste backhandvolley waarmee hij een episch gevecht met Tom Okker besloot. Hij bleef verwonderd staan, gooide zijn racket weg, schudde zijn Nederlandse tegenstander de hand en omarmde hem uiteindelijk als een broer. Hij had zojuist de US Open gewonnen, als eerste Afro-Amerikaanse man, en ondanks dat hij geen stuiver van het prijzengeld, 14,000 Amerikaanse dollar, mee naar huis mocht nemen omdat hij ingeschreven stond als amateur, grijnsde de Amerikaan van oor tot oor na het winnen van zijn eerste Grand Slam. 

En meedeinend op het ritme van de rockmuziek en terugdenkend aan de prachtige tennismomenten die in het Forest Hills Stadium beleefd zijn, kon ikzelf een grijns ook niet onderdrukken. Ik denk dat muziek verdovend kan werken, maar ik weet dat dit niet het geval was tijdens dat concert. Het was de plek die me in trance bracht. De plek waar de geesten van lang vergeten tennishelden rondwaren. De plek waar de ware matadors op verlaten grasbanen hun vanuit een eastern grip geslagen forehands onderhouden. Het Forest Hills Stadium.

 

____________________________________
MEER HELDEN VAN FOREST HILLS

 

 

Laat een reactie achter