De limiet van een droom is onbegrensd

Het was een koude zaterdagochtend. De herfstwind scheurde door de straten van Chinatown op een manier die iedereen in Lower Manhattan kende. Het was hard en zonder mededogen. Net zoals het leven. De wind was als een bode die slecht nieuws met zich meebracht, een stormkraai die het koude vuur van de winter aanwakkerde met het geklap van zijn donkere vleugels.

Larry stapte naar buiten en hield van die wind. Voor hem had de zomer te lang geduurd. Hij vond het veel te warm in de snikhete broeikas waarin New York City tijdens de zomer veranderde. Het appartement waarin hij met zijn ouders, drie broertjes, twee zusjes en grootmoeder woonde, voelde aan als een braadoven. En hij was de kip die pruttelde in de ovenschaal. De wind en het seizoen dat het met zich meedroeg, maakte het makkelijker om binnen te zijn, maar Larry was nog steeds het liefst de hele dag buiten.

Hij keek op zijn horloge. Het was blauw en een dinosaurus glimlachte naar hem vanachter het glas. Het kostte hem een precies dertien minuten en twintig seconden als hij elk stoplicht negeerde en iets meer dan een kwartier als hij zich aan de verkeersregels hield om vanaf het bruine, bakstenen gebouw aan de East River, waar hij woonde, bij de sportveldjes in Chinatown te geraken. Hij had de route al zo vaak gelopen dat hij het met zijn ogen gesloten af zou kunnen leggen, maar dan zou hij wel riskeren overreden te worden door een vrachtwagen of taxi. En daar zat Larry niet op te wachten.

Bobby, Jordan en Li wachtten namelijk op hem. Ze woonden dichterbij de sportveldjes dan hij en waren waarschijnlijk al bezig met het oefenen van hun shots onder aanmoediging van Hal, Jordan’s vader, die een basketbalcoach was op een high school in Queens.

Larry had gelijk. Toen hij dertien minuten en twintig seconden later aankwam bij de sportveldjes zag hij hoe Jordan ballen op de basket afvuurde, terwijl Li en Bobby vochten om de rebound. Larry rende richting coach Hal.

“Sorry dat ik te laat ben, coach.”

“Geen probleem, kiddo. Laten we het erop houden dat wij te vroeg waren.”

“Mag ik een paar shots doen, coach?”

“Tuurlijk.”

Een uur later riep coach Hal zijn pupillen bij elkaar. De sessie zat erop. Hij keek zijn jongens diep in hun ogen en zag het vuur dat hem de energie gaf om elke zaterdag om half acht ‘s ochtends omringd door zwervers en afvalbakken op een pleintje te staan. Het was het vuur van de verwachting, de fonkeling van de vastberaden droom. Kinderen weten allemaal dat ze de nieuwe LeBron, Kobe, Roger, Lionel, Serena of Megan gaan worden. Gaan worden, niet kunnen worden. De limiet van een droom is onbegrensd.

Als Hal wou dat zijn pupillen een oefening zouden doen, hoefde hij enkel aan de opdracht toe te voegen dat LeBron het ook altijd deed toen hij nog jong was. Ze zouden zonder een weerwoord te geven in de East River springen als hij vertelde dat Kobe iedere ochtend tweehonderd baantjes trok. Kinderen doen alles wat ze kunnen om hun droom te verwezenlijken. Het enige wat ze nodig hebben zijn de ingrediënten voor de droom. Een voorbeeld, een bal, een veldje, een maatje. Meer niet. De enige limiet van de vraag is het aanbod.  

De coach keek om zich heen en zag een lange slang met jongeren die bibberend wachtten totdat het hun beurt was om een koffie of bubble tea te bestellen. Hij snoof de frituurlucht op die zelfs op de vroege ochtend als een nevel van vraatzucht over Chinatown hing. Een snerpende windvlaag woei over het pleintje en Hal beet op zijn tanden. De herfstwind was hard en kende geen mededogen. Net zoals de stad. Voor een geboren New Yorker was het onderwijsniveau laag, behalve als je ouders genoeg geld hadden om je naar een privéschool te sturen. Voor een geboren New Yorker waren de huizen onbetaalbaar, behalve als je ouders genoeg geld hadden om je naar een privéschool te sturen. Voor een geboren New Yorker kenden de banen een bikkelhard plafond, behalve als je ouders genoeg geld hadden om je naar een privéschool te sturen. De kloof tussen rijk en arm is vrijwel nergens zo paradoxaal als in New York City, waar fortuinlijke yuppies tien keer zoveel huur betalen voor hun eenkamerappartementen als hun bejaarde buren die er al vijftig jaar wonen, gevangen in de klauwen van een voordelig, stoffig huurcontract.

Toch was Hal er trots op een New Yorker te zijn. Waarom? Omdat hij in het Sarah D. Roosevelt Park, in het hartje van Lower Manhattan, stond. Het park was omringd door hebzucht. Dure appartementencomplexen die verdwenen in een wolk van onbereikbaar verlangen. Fastfoodketens waar klanten nog net zo weinig betaalden voor de troep die voor vlees moest doorgaan, als wat de medewerkers achter de toonbank verdienden. Zwerfafval dat ronddraaide in de luchtstroom van de herfstwind als de draaimolen van Coney Island. Maar binnen die hebzuchtige muren, stond het Sarah D. Roosevelt Park. Een park dat enkel bestond uit sportvelden in allerlei soorten en maten. Het was een toevluchtsoord voor tennissers, voetballers, hardlopers, skaters, hockeyers en basketballers. Hij had er zelfs een keer gekeken naar een fietspolowedstrijd. Het was een teken van hoop en ontwikkeling. Ook nu speelden er jongens en meisjes met basketballen, voetballen en tennisballen. Ook nu leerden kinderen schieten, fietsen, rennen, vallen en opstaan.  

Hij was er trots op dat hij zichzelf een New Yorker mocht noemen omdat de stad alles bood om de droom van een kind te vullen met hoop. En eigenlijk gold dat ook voor alle sporters. Voor een sportersdroom kent New York City namelijk geen limiet.

Notitie: New York City is groot en vol. Er zijn eigenlijk niet genoeg sportaccommodaties om te voorzien in de behoeften van al haar inwoners. Scholen hebben weinig mogelijkheden om kinderen te laten sporten en wijken daarom uit naar de parken van de stad, die vaak wel voor een groot deel bestaan uit sportvelden. Ik ben zelf vaak in het East River Park te vinden, waar een atletiekbaan, talloze honkbalvelden, basketbalvelden, tennisbanen en voetbalvelden liggen. Ze zijn allemaal gratis of tegen een kleine vergoeding te gebruiken. Dat vind ik bijzonder. De mooiste tennisbaan die ik tot nu toe gezien heb, ligt in het Hudson River Park, aan de rivier dus, en kijkt uit op de Freedom Tower en het Financial District. Je kunt er gratis gebruik van maken, maar als je niet meer dan een uur wilt wachten, moet je wel zorgen dat je er om half acht ’s ochtends bent. Zoals gezegd, New York City is groot en vol. De parken, gevuld met sporters, van kinderen tot bejaarden, zijn een toevluchtsoord voor dromers zoals ik.  

 

 

Laat een reactie achter