Waarom een klas niet zonder meester kan

“Wil je wat drinken? Koffie?” 

“Graag”, knikte ik. “Een kopje koffie is prima. Gewoon zwart alstublieft.”

“Zeg maar je.”

Ik glimlachte en veegde mijn plakkerige handen af aan mijn spijkerbroek. Het was veel te warm om een lange broek te dragen, maar ik had een belangrijke afspraak en wachtte aan een hoge tafel in de kantine van een supermarkt ongeduldig op mijn beurt. De afspraak was zo belangrijk voor me, omdat ik het laatste interview van mijn afstudeerscriptie zou afnemen die middag. Ik was er bijna klaar mee. Letterlijk dan, figuurlijk liep ik weken voor op de realiteit.

De man waarmee ik een afspraak had, zou de volgende dag naar Brazilië vliegen om deel te nemen aan de Confederations Cup. Dankzij mijn oom kon ik nog even bij hem binnenwippen om een uurtje te babbelen over zijn werk. Oldenzaal is een kleine stad met korte lijntjes. En ondanks dat de boeskoolstad menig profvoetballer heeft voortgebracht, denk aan René Roord, Jan Vennegoor of Hesselink, Derk Boerrigter, Alexander Bannink, Jules Reimerink en Wout Droste, reisde geen van hen af naar Brazilië om deel te nemen aan een voorbereidingstoernooi voor het WK van 2014, net als de rest van de Nederlandse voetballers overigens. Nee, hoewel ik een afspraak had met een topsporter, was het geen profvoetballer. Ik onderzocht namelijk hoe negatieve sociale druk mensen beïnvloedde tijdens het uitvoeren van hun werk en mijn doelgroep bestond louter uit scheidsrechters, op zowel professioneel als amateurniveau. Al was ik eigenlijk vooral op zoek naar mooie sportverhalen.  

De afwasmachine ratelde. Druppels kletterden tegen de smerige vaat aan. Ik had het warm en dacht na over de mooie verhalen die ik al gehoord had. Scheidsrechters zijn net jukeboxen, je gooit er een kwartje in en ze spelen de mooiste liedjes voor je af. Wil je een Bowie horen? Dat kan geregeld worden, hier komt ‘ie. Of toch liever iets van Pink Floyd? Geen probleem, dat heb ik ook wel. Tijdens mijn vorige interviews had ik geen vraag hoeven stellen, want nog voordat ik het doel van mijn onderzoek uitgelegd had, waren ze al van wal gestoken. Ik had niet eens de tijd om mijn telefoon aan te zetten om het gesprek op te kunnen nemen, of ze namen me al mee op hun avonturen. Ik hoorde verhalen van een amateurveteraan die me letterlijk drie uur lang bij hem thuis in Bedum aan de koffie hield en me in een fantastisch Gronings accent, dat me deed denken aan mijn opa, in geuren en kleuren vertelde over zijn glorieuze scheidsrechters bestaan. Ik heb de blaren van het transcriberen nog steeds op mijn vingertoppen staan, maar wat heb ik een lol gehad daar. Hij wist zelfs de kleur onderbroek van de jongeman die hem in 1995 bijna een optater gaf tijdens een of andere noordelijke derby nog te benoemen. En hoewel deze man op amateurniveau floot, was hij allesbehalve een prutser, want voor de Groninger waren uitstapjes naar Amsterdam om AFC te fluiten geen uitzondering. Na afloop kreeg ik nog een boek van hem mee dat hij zelf geschreven had. Henk Steenhuis, wat een man. 

De afwasmachine piepte precies op het moment dat de deur van het kantoortje openging waardoor Björn Kuipers naar buiten stapte. Zijn vrouw kwam net terug met een kopje koffie in haar hand en ik pakte het dankbaar aan. Terwijl ik achter Björn het kantoortje inliep, vroeg ik me af of hij net zo’n kletskous was als de rest van mijn gesprekspartners. Dat bleek zo te zijn. Ook hij was een jukebox en hij speelde alle nummers waar ik om vroeg. Fleetwood Mac, The Who, Supertramp, hij had ze allemaal. Een uur later waren mijn kwartjes op. Na afloop praatten we nog wat over het aankomende toernooi in Brazilië. Björn had er zin in en ik ook. We schudden elkaar de hand en ik wenste hem een goede vlucht.

Een paar weken later keek ik, met mijn diploma zo goed als in mijn zak, naar de Confederations Cup. Het werd gewonnen door Brazilië en Neymar werd uitgeroepen tot speler van het toernooi. Hij had toen net aangekondigd naar Barcelona te verhuizen. Ik kende hem op dat moment eigenlijk vooral van YouTube filmpjes waarin zijn solo’s vanaf de middenlijn en trucjes aan de zijlijn werden uitgelicht. Dat hij zowel een uitblinker in vallen als opstaan bleek te zijn, wist ik toen nog niet. En ik denk dat Björn Kuipers het toen ook nog niet wist. Inmiddels wel, want in de loop der jaren zijn de scheidsrechter en de aanvaller elkaar meer dan eens tegengekomen. Wie herinnert zich het magistrale moment tijdens het WK van 2018 niet, waarop Kuipers Neymar de mond snoerde na wederom een fopduik en een redevoering die op Prinsjesdag niet misstaan had?

In alle gesprekken die ik voor mijn scriptie voerde, kwam een eigenschap telkens naar voren. Of het nou Bas Nijhuis uit Enschede is die grappend een vloekende Marko Arnautović in toom houdt, Henk Steenhuis uit Bedum is die als een soort muteknop op een afstandsbediening een bende tekeergaande heethoofden uit Haren tot rust brengt, of Björn Kuipers uit Oldenzaal is die de sterspeler van de Seleção vertelt dat hij nu toch echt eens moet kappen met dat gezeik, ze hebben allemaal één eigenschap gemeen. Leiderschap.

Twee voetbalteams zijn eigenlijk net een schoolklas. Een bult kinderen waarvan meer dan de helft stil is en hard werkt, er een paar zeuren en er een stel pestkoppen de sfeer verziekt. En een schoolklas leert niets zonder meester, zelfs de meest briljante leerlingen hebben iemand nodig die hen in staat stelt hun brein te gebruiken, om na te kunnen denken en om te kunnen schrijven. Ze hebben iemand nodig die een omgeving creëert waarin ze het maximale uit zichzelf kunnen halen. Ik denk dat het voor Albert Einstein een stuk lastiger was geweest om de relativiteitstheorie uit te dokteren, als hij elke minuut van de dag een prop papier tegen zijn pluizige achterhoofd aangegooid gekregen had. Hetzelfde geldt voor Messi, Ronaldo, Robben, Neymar, maar eigenlijk voor iedere voetballer. Zonder scheidsrechter, zonder leider, is het onmogelijk om uit te blinken.

Leave a comment