Geluksvinders

The Oregon Trail is bijna 3,500 kilometer lang en loopt dwars door de Rocky Mountains van Kentucky naar de Grote Oceaan. Omsingeld door bergen, in een hoek gedreven door vrieskou en enkel voortgestuwd door hun droom reisden handelaren in bont, goudzoekers en boeren in het eerste deel van de negentiende eeuw naar het westen.

Gelukszoekers zo werden ze genoemd. Gelukzoekers met een moedig hart, want destijds vormde de Mississippi River de grens van de Verenigde Staten. Illinois, Wisconsin, Kentucky, Tennessee. Dat waren de laatste uitposten van het land, daar – vond men – hield de beschaving op. Maar de handelaren, boeren en goudzoekers lieten zich niet stoppen door een rivier. Dat zoiets nietigs als een grens hen ervan zou weerhouden hun dromen na te jagen, kwam in hun hoofd niet op.

En dus gingen ze – te voet of te paard, want treinsporen waren nog niet aangelegd in de onherbergzame gebieden die ze doorkruisten – op pad. Uiteraard waren ze niet de eersten die de bergen van Wyoming trotseerden, of onder de rook van de vulkanen in Oregon doorliepen; generaties van stammen noemden die landen immers thuis. Maar toch waren de gelukszoekers grensverleggend. Ze waren de eersten die de reis van de beschaving naar het wilde westen waagden.

Het moeilijke aan de eerste zijn is niet de reis zelf, het is de keuze. Durf jij iets te doen wat anderen nog niet hebben gedaan? Ieder mens twijfelt, we willen allemaal voldoen aan de verwachtingen van onze omgeving. Thuisblijven is makkelijker dan gaan. We zijn een gesetteld volkje geworden.

Geworden. Inderdaad. Want we waren niet altijd zo. We zijn geboren als jagers en verzamelaars, als nomaden. Nooit bleven we lang op dezelfde plek en altijd waren we onderweg. Daarom zal een pionier, hij die vaak een gelukszoeker wordt genoemd, toch vertrekken. Het zit in zijn bloed. In zijn hart. In zijn ziel.

Dat moet ook hebben gegolden voor Gerrit Keizer. Geboren Amsterdammer en in 1926 spelend bij Ajax. Hij was toen zestien jaar oud en speelde als rechtsbuiten. Maar toen hij plotsklaps een dag op goal moest staan, merkten hij en de rest van de club dat er een goede keeper in hem school. Op zijn achttiende maakt hij zijn debuut. Als keeper.

Tegenwoordig ben je binnen als je je debuut bij Ajax hebt gemaakt. Zelfs als je tien keer over de bal heen duikt in één wedstrijd, krijg je nog steeds een contract aangeboden bij FC Den Bosch en kun met een degelijke leefstijl een prima spaarpotje opbouwen. Maar in 1928 was dat niet het geval. Er waren toentertijd nog geen professionele voetballers in Nederland. Voor Gerrit betekende dit dat hij een baan moest vinden.

En zoals de pioniers die The Oregon Trail volgden zich niet lieten stoppen door een rivier, had Gerrit maling aan de Noordzee. Hij vertrok naar Londen om er aan de slag te gaan als groenteman. Dit had hij natuurlijk net zo goed in Amsterdam, Groningen, Maastricht of Enschede kunnen doen, maar Gerrit besloot naar Engeland te gaan. Nederland kende hij al. Engeland nog niet. Hij was een nomade.

Hij hield net zoveel van voetballen als van ontdekken en dus besloot hij zich aan te melden bij een voetbalclub, Margate. Gerrit ergerde zich dood aan het niveau. Ik stel me voor dat hij hoofdschuddend tussen de palen stond, niet wetend of hij zijn teamgenoten verrot moest schelden of uit moest lachen na weer een verkeerde pass of een struikelpartij. Het was alsof Onana bij Zenderen Vooruit speelde. Knudde.

En dus besloot Gerrit om naar een andere club te gaan, één die beter paste bij zijn niveau. Hij koos voor Arsenal. En pardoes: met die keuze werd hij meteen de eerste profvoetballer uit Nederland. Hij kreeg een vergoeding van zes pond per week. Daar kon je ongeveer 85 broden voor kopen in die tijd. Een prima inkomen om een bestaan in Londen op te bouwen zou je zeggen. Zeker naast het salaris dat hij als groenteman verdiende.

Maar Gerrit zou Gerrit niet zijn als hij er genoegen mee nam. Niet dat hij hebberig was. Nee de drang naar meer bewoog hem niet. De drang om te reizen was wat zijn hart sneller deed kloppen. Zijn nomadengenen deden de vulkaan in zijn hart borrelen. En zo gebeurde het dat Gerrit meerdere malen in het voetbalseizoen na een wedstrijd voor Arsenal gekeept te hebben op het vliegtuig van Londen naar Amsterdam stapte zodat hij ook bij Ajax onder de lat kon staan. Het leverde hem de bijnaam de Vliegende Keep op.

In 1933 verhuisde Gerrit terug naar Nederland. Des te langer hij weg was, des te meer hij besefte dat Amsterdam zijn thuis was. Ajax ook. Hij keepte er meer dan 300 wedstrijden in het eerste elftal. Hij was vier jaar in Engeland geweest.

Dat reizen horizonnen verbreed is waar. Je ziet nieuwe natuurgebieden, je snuift andere culturen op, je proeft smaken die je niet eens zou kunnen dromen. En je ontmoet nieuwe mensen, maakt nieuwe vriendschappen. Dat gold uiteraard ook voor Gerrit.

Toen Ajax na de Tweede Wereldoorlog om geld verlegen zat en geen nieuwe tenues kon aanschaffen, boorde Gerrit zijn netwerk in Engeland aan. Al snel werden er een paar dozen met voetbaloutfits geleverd bij De Meer. Ik stel me voor dat één van de aanvallers, een twintigjarige vent genaamd Rinus Michels, het tenue fronsend omhooghield.

“De kleur klopt, maar de stof is anders. Wat is dit, Ger?”

“Niet zaniken, Rinus. Een mooier shirt dan dit ga je niet vinden. Ze komen rechtstreeks uit Highbury. Vooruit! Trek het aan!”

En zo werd Ajax in 1948 kampioen in het shirt van Arsenal. Dankzij hun doelman, Gerrit Keizer. De vliegende keep. De pionier. De gelukszoeker?

Nee. Ik denk dat Gerrit Keizer geen gelukszoeker was, net zoals de goudzoekers, bonthandelaren en boeren die The Oregon Trail afreisden dat evenmin waren. Het geluk hadden ze namelijk allang gevonden, want het avontuur was hun geluk.

 

Leave a comment