Het is goed

Ik begrijp niet waarom de nadruk altijd op het negatieve gelegd wordt. Misschien dat het komt door de voorspelling dat dit de meest succesvolle Olympische Spelen van Nederland ooit moeten worden en dat daarom alleen goud telt. Misschien dat het in de aard van het beestje zit. In ieder geval vind ik te vaak dat er wordt ingezoomd op wat niet goed gaat.

Ik las laatst een stuk waarin ingegaan werd op de vorm van Kromowidjojo. Volgens de schrijver was zij debet aan de vierde plek tijdens de estafette. Ze was te langzaam. Niet goed. Tenminste als je die uiteenzetting moest geloven. Wat niet gemeld werd waren de gouden medailles die ze in Londen haalde. Dat is acht jaar geleden. Acht! Ook dat scheen niet belangrijk genoeg te zijn om uit te lichten. Van alle vrouwen die de finale 100 meter vrije slag zwommen, was Femke Heemskerk de enige die ouder is dan Kromowidjojo. Het is ook een keer goed, toch? Soms kun je toch gewoon niet sneller?   

Neem nou de zilveren medaille van Annemiek Van Vleuten tijdens de wegwedstrijd. Denk je dat zij niet zo hard getrapt heeft als ze kon? Ze kwam juichend over de streep omdat ze dacht dat ze goud gewonnen had. Een minuut later hoorde ze dat zij en haar ploeg een Oostenrijkse over het hoofd hadden gezien. In plaats van blij te zijn voor haar, vond iedereen het dramatisch. Slecht. Gepruts. Amateuristisch. Dat waren de woorden die ik hoorde. En die commentatoren, analytici en sportkenners zijn dezelfde mensen die na een voorspelbare laatste kilometer waarin het peloton een dappere vluchter terugpakt om te gaan sprinten, blèren over het afschaffen van oortjes.

Want dat is waarom ze die Oostenrijkse over het hoofd zagen. Tijdens de Olympische wegwedstrijd werd gekoerst zonder communicatiemiddel waardoor wiskundig berekende snelheden en wattages doorgeseind werden. En dat leverde ouderwets mooie beelden op. Annemiek Van Vleuten schoot er op een gegeven moment vandoor en terwijl ze zo bol als een egeltje over haar stuur gebogen hing, vroeg ze aan een radioman op de motor hoever ze achter lag. “Vijf minuten”, zei hij. Annemiek schudde haar hoofd en trapte stoïcijns verder. Als ze had gevraagd hoeveel rensters er nog voor haar reden, had ze misschien eerder haar eindpoef ingezet. Of misschien was ze dan juichend over de finish gekomen, wetende dat ze zilver gewonnen had.

Want ook om een zilveren plak mag je juichen toch? Zilver! Stel je even voor hoeveel kinderen van tien jaar oud dromen van het winnen van een Olympische medaille. Nou, als je zilver wint, dan ben je dus de op één na beste van al die dromers. Dat is toch een feest waard?! Ja. Zilver is mooi.

En eigenlijk vergeten we dat meedoen ook mooi is. Is het belangrijker dan winnen? Dat denk ik niet, want als topsporter wil je altijd winnen. Maar … in sommige gevallen is meedoen al een overwinning. Neem Henk Grol, onze spierwitte Hulk. Hij droomde als tienjarige van Olympisch goud, haalde tweemaal brons en kwam naar Tokyo om nog één keer te vlammen. Zesendertig jaar oud is hij. Zijn lichaam kraakt en dat hij erbij is, verdient lof.

Hij stapte de Buddakan in, in gedachten knikkend naar de geest van Anton Geesink, boog naar de scheids en begon. De lege tribunes waren tijdens dat gevecht gevuld. Op ieder klapstoeltje zat een deel van Henks jongensdroom. Vijfentwintig seconden en een grote Oezbeek later, spatte het uiteen. Ippon. Het woord dat steeds terugkwam op de NOS: teleurstellend. En ook moest even worden uitgelicht dat zijn tegenstander nog nooit een groot toernooi gewonnen had.

Alsof dat er iets toe doet, hoeveel grote toernooien een tegenstander gewonnen heeft. Tijdens Wimbledon in 2003 verloor Mario Ancic, de Kroaat die het jaar ervoor in straight sets van de als zevende geplaatste Roger Federer won, ook van een speler die nog nooit een groot toernooi gewonnen had. Zijn naam: Rafael Nadal.

Hoe goed of slecht een prestatie is hangt niet af van de bewezen diensten van een tegenstander. Het hangt af van details. Een goede nacht slaap, een gelletje te veel of te weinig, een vergeten vraag aan een motorjournalist of een gespannen stap in de verkeerde richting op de judomat. Zoals Henk Grol het zei: “Ik ben gewoon een stomme lul. Dit is topsport en het is keihard.” En zo is het ook.

Maar buiten dat is topsport vooral goed.

 

  

Leave a comment