De tragiek van de verslagene

25 mei 1965 was een warme dag voor Lewiston begrippen, de tweede stad van Maine, de staat in het noordoosten van de Verenigde Staten die vooral bekend staat om haar natuurschoon, lobstah rolls, en bijzonder aardige mensen die je hoewel je geen woord verstaat van wat ze zeggen maar vriendelijk toeknikt omdat ze er net zo alwetend als ruig uitzien. Eigenlijk is Maine, en zeker Lewiston, een doodnormaal stukje Amerika. Tenminste dat was het, tot die warme dag in de lente van 1965.

Drommen toeschouwers baanden zich een weg door de mensenmassa om een plekje in één van de zalmkleurige stoeltjes aan de rand van een haastig opgebouwde boksring te bemachtigen. De lucht in het Central Maine Youth Center was doordrenkt met opwinding en verheuging. Hoe vaak kwam het nou voor dat de grote Sonny Liston en de titelverdediger Muhammad Ali, tot dat gevecht aangeduid als Cassius Clay, naar Maine kwamen om hun kolenscheppen van handen te laten zingen?

Voor buitenstaanders was de arena een gedrocht van een gebouw, een gebroed dat iets weghad van een combinatie tussen een vliegtuighangar en een oude hooischuur, maar voor liefhebbers van de boksport verbleekt zelfs het Colosseum in Rome erbij. Zeker sinds die dag, 25 mei 1965, want toen werd het zwaargewichtskampioenschap uitgevochten in het Central Maine Youth Center. In Lewiston, Maine.

In de ene hoek staarde Muhammad Ali, voor het eerst als dusdanig aangekondigd, met een verbeten gezicht waar een onwaarschijnlijke concentratie vanaf straalde voor zich uit. Het licht van de lampen weerkaatste in zijn reeds bezwete gezicht. In de andere hoek stond Sonny Liston, de voormalig zwaargewichtkampioen, te wachten op het moment dat hij zijn verloren titel terug kon winnen. Zijn enorme handen hingen rusteloos langs zijn gespierde lichaam. Aan alles was te zien dat er twee mannen met een missie tegenover elkaar stonden in de ring. Het publiek was er klaar voor en maakte zich op voor een grandioos gevecht.

Maar honderdvier tellen en één fantoomstoot later was het alweer voorbij. Weinig mensen, zelfs diegenen die het gelukt was om een zalmkleurig stoeltje te bemachtigen vlak bij de ring, zagen de stoot die Ali uitdeelde. Wat ze wel zagen was de enorme gedaante van Liston, die als een mier op zijn rug lag en rollend, kruipend en tijgerend trachtte overeind te komen. En wat ze hoorden, zij die dichtbij genoeg zaten dan, was de verfoeiende kracht waarmee Ali zijn opponent beval verder te vechten.

“STA OP! IEDEREEN DENKT DAT JE ONBREEKBAAR BENT! NIEMAND GAAT DIT GELOVEN! VECHT! STA OP!”

Sonny Liston stond op, maar pas nadat de tien seconden die hij daarvoor had verstreken waren. Terwijl hij wankelde op zijn boomstammen van benen, werd Muhammad Ali tot zwaargewichtkampioen bekroond. Eén van zijn rode handschoenen stak hoog de lucht in, terwijl die van Sonny Liston bijna over de grond sleepten. Het leer was nog haarfijn en onbeschadigd; ze hadden nog geen twee minuten werk geleverd.

Voor die honderdvier tellen in het Central Maine Youth Center hadden de vuisten van Sonny Liston veel gedaan en nog meer teweeggebracht. Op zijn tweeëntwintigste belandde hij in de staatsgevangenis van Missouri waar zijn talent voor boksen opgemerkt werd door de dienstdoende pastoor die tevens de gevangenisgym runde. In de nor stoomde Liston zichzelf klaar voor een professionele carrière.

Na zijn vrijlating in 1953, moet hij zich, hoewel hij op vrije voeten was, voor de rest van zijn leven gevangen hebben gevoeld. De maffia, die meer dan één vinger in de bokspap had, greep Liston namelijk als een troep hebberige hyena’s beet. Vanaf dat moment en tot aan het einde van zijn leven ontfermden ze zich over alle gevechten die hij vocht en iedere stuiver die hij ermee verdiende, om hem uiteindelijk blut naar het hiernamaals te sturen.

En de onderwereld was niet de enige gemaskerde vijand waartegen Sonny Liston vocht. De pers, gevoed door een honger naar het brandend houden van het vuur van systematisch racisme, zette Liston neer als een beestachtige, onmenselijke bruut; hij werd het symbool voor alles waar ‘wit Amerika’ bang voor moest zijn. Zo schreef de New York Times ooit dat Liston een “enge man” was “waarvoor iedereen bang zou moeten zijn als ze hem tegenkwamen in een duistere steeg.”

Dit alles leidde ertoe dat Sonny Liston een weinig geliefd bokser was. Toen hij de zwaargewichttitel binnensleepte in 1962 bereidde hij zich voor op een toespraak aan zijn fans bij thuiskomst in Philadelphia. Er was niemand die hem opwachtte. De inwoners van de City Of Brotherly Love getuigden zich weinig broederlijk en namen de moeite niet om hem toe te juichen. Slechts de krantenjongens spraken over Listons overwinning en alleen maar omdat het hun taak was. De één meter en vijfentachtig centimeter grote bokser met een vuistomtrek van achtendertig centimeter moet zich nooit kleiner hebben gevoeld dan op dat moment.

Tragisch genoeg had Liston zijn connecties met de maffia nodig om zijn carrière in leven te houden. Zijn slechte reputatie maakten het moeilijk, zo niet onmogelijk, om een plaats in de ring te krijgen tijdens grote gevechten. Onderwereldfiguren zoals Frank “Blinky” Palermo zorgden ervoor dat Liston kon opdraven in bokswedstrijden. Uiteraard verdienden zij goed aan die gevechten; niet in de laatste plaats door te organiseren wie er winnen zou en in welke ronde.

Gedurende een groot deel van zijn loopbaan was Sonny Liston als een surfer die zich niet door de branding heen wist te ploegen; hij lag in het water, maar veel meer dan worstelen kon hij niet; de golven verzwolgen hem langzaam maar zeker; bovenkomen was er niet bij, laat staan dat hij zijn kunsten kon vertonen. Hoewel hij een zwaargewichttitel op zak had, was hij niet meer dan een schim van de winnaar die hij had kunnen zijn.

Hoewel het nooit bewezen is, zou het goed kunnen dat zijn connecties met de onderwereld Sonny Listons dood werden. Sinds hij in 1971 op tamelijk bizarre wijze dood aangetroffen werd in zijn huis in Las Vegas – met naaldprikken in zijn armen en dat terwijl hij volgens zijn vrouw en coach nooit drugs gebruikte – zijn de geruchten dat de maffia hem het zwijgen op wilde leggen van gefluister overgegaan in luid gemompel. In 1971 was Sonny Liston ver over zijn hoogtepunt heen en diende hij niet langer als geldboom voor de maffia. Wellicht was hij zelfs een gevaar voor ze geworden. Hoeveel wist Sonny Liston bijvoorbeeld over de door de maffia georganiseerde uitkomsten van grote wedstrijden?

Dat brengt ons terug naar de fantoomstoot, de klap die Ali slechts honderdvier tellen na het ingaan van de eerste ronde uitdeelde en die zo snel was dat niemand hem zag, zelf zij die op de voorste rij van het Central Maine Youth Center zaten niet. Bleef Liston liggen omdat hij net zo verrast was als de inwoners van Lewiston? Of bleef hij liggen omdat zijn management, figuren zoals Frank “Blinky” Palermo, het hem opgedragen hadden?

Het beeld van Muhammad Ali die Sonny Liston met een verbeten blik toebrult is een van de meest bekende sportfoto’s. Hij hing in groot formaat boven mijn bed in mijn studentenkamer in Groningen. Ik heb eerlijk gezegd altijd gedacht dat het beeld de onoverwinnelijkheid van Ali illustreerde. Nooit ging mijn aandacht uit naar de man die in meer dan één schaduw aan zijn voeten lag. Meer lusteloos dan levenloos. Maar hoe langer ik erover nadenk, des te meer ik besef dat de foto veel meer zegt over de tragiek van de verslagene dan over de onsterfelijkheid van de winnaar.

“STA OP! IEDEREEN DENKT DAT JE ONBREEKBAAR BENT! NIEMAND GAAT DIT GELOVEN! VECHT! STA OP!”

Eigenlijk is Sonny Liston van dat gevecht in Lewiston, Maine nooit opgestaan.

 

Leave a comment