De kloof

Diego, Paul en Gino wandelden door een mistig landschap. Ze waren elkaar niet lang geleden op een viersprong tegengekomen en hadden alle drie een lange reis achter de rug. Ieder had een andere route genomen, maar voor allen gold hetzelfde; de weg was bochtig, en kende meer dalen dan pieken. Ze hadden gelijksoortige herinneringen aan de route. Mooie herinneringen zoals de groepsomhelzing na een belangrijk doelpunt of het gejuich van de fans na een magistraal stiftje. Onvergetelijke herinneringen zoals een debuut in het shirt van Argentinië, een debuut in het shirt van Engeland en een debuut in het shirt van FC Twente. Maar ook lastige herinneringen zoals het op je schouders dragen van de verwachtingen van het volk - de Argentijnen, de Engelsen en de Tukkers - en de angst die een dergelijke last met zich meebracht. Ze wisten allemaal waar ze vandaan kwamen, maar de bestemming van hun reis was hen onbekend.

Het drietal keek naar de vier wegen. De viersprong kende geen wegwijzer. Ze waren in een boekachtige omgeving aanbeland, maar dit landschap was niet geschreven door de pen van Tonke Dracht. Ze keken achterom. De drie paden die ze afzonderlijk genomen hadden stroomden als levensaders door het landschap dat hier en daar leek te glimmen in het licht van het kleine beetje zon dat door de nevel heen scheen. Voor hen liep de vierde weg kaarsrecht vooruit, totdat het werd opgeslokt door de dikke mist. Er groeide geen gras aan weerszijden van de weg. Voor zover ze konden zien was het land, op de mist na, helemaal leeg.

“Wat moeten we doen?” vroeg Gino aarzelend.

“We moeten verder”, antwoordde Diego gedecideerd.

Paul knikte. Hij was het met de Argentijn eens. Teruggaan was geen optie. De klok van het leven liep alleen maar vooruit en kon niet stilgezet worden.

Zwijgend liepen ze verder. Omdat ze topfit waren, hadden ze er een stevige pas in. Tien minuten later hief Diego, die vooropliep, zijn hand omhoog. “Wacht, amigos. Pas op.”

Zijn waarschuwing was overbodig, want de anderen zagen het gevaar net zo goed als hij. Voor hen hield de weg abrupt op. Het pad verdween in de zwarte diepte van een kloof die zo breed was dat ze andere kant niet konden zien. Voor hetzelfde geld was dit het einde van de wereld. Maar dat kon niet, de wereld was net zo rond als een voetbal, dat wisten ze allemaal. 

Om erachter te komen hoe diep de kloof was, raapte Gino een steen van de grond op. Hij liep naar de afgrond en bleef pas staan toen de toppen van zijn zwarte kicksen over de rand uitstaken. Achter hem hapten Diego en Paul verschrikt naar adem, maar Gino knipperde niet eens met zijn ogen. Hij keek een tel naar de steen in zijn hand, alsof hij afscheid nam van de kiezel, en liet het vervolgens vallen.  

De voetballers spitsten hun oren. Het duurde lang voordat de steen de bodem bereikte, maar uiteindelijk klonk er heel ver weg een zachte plof.

“Jullie moeten een stoutmoedig volk zijn, daar in Twente”, zei Diego met een fonkeling van waardering in zijn ogen.

“Valt mee. We zijn vrij nuch-“

De Tukker staakte zijn rede, want er klonk een roep uit de diepte.

“Wat was dat?” vroeg Paul gespannen.

“Het klonk als een vogel. Een kraai misschien?” opperde Gino. Hij stond nog steeds op de rand van de afgrond en tuurde de diepte in.

“Nee, het was iets anders.” Diego schudde zijn hoofd, haalde zijn hangende schouders op en wees opgewonden naar rechts. “Daar is een brug!”

Paul ademde opgelucht uit en begaf zich richting de boog. Het sloot niet aan op het pad, maar leek gemaakt van een sterke houtsoort. Bij wijze van test zette de Engelsman zijn voeten op de bodem. Zijn noppen tikten over het hout. “Het is best stevig”, knikte hij tevreden naar Diego, die vlak achter hem stond.

“Gino!” schreeuwde de Argentijn. “Kom je ook? We moeten verder.”

“Laat mij maar even, jongens” antwoordde Gino. “Gaan jullie maar vast. Ik kom er zo aan.”

Diego draaide zich om en zette een pas in de richting van Gino. Hij wou de Enschedeër bij zijn rode kraag pakken en meeslepen naar de brug. Desnoods zou hij hem helemaal naar de overkant tillen, want hij liet geen vrienden achter, zeker niet in een landschap dat zo luguber was. De stem van Paul bracht hem tot stilstand.

“Laat hem, Diego.”

“Maar –“

“We kunnen de kloof alleen zelf overbruggen.”

“Weet je aan wie hij me doet denken?” vroeg de Argentijn sip nadat hij zich weer naast Paul geposteerd had. Hij keek naar de jongeman in het rode shirt die nog altijd op de rand van het ravijn stond. De mist om hem heen was toegenomen. Alleen het rood van zijn shirt was goed zichtbaar, van zijn gezicht was niet veel meer dan de contouren te herkennen, als een vage schets.

De Engelsman knikte droevig. “George Best.” Vervolgens gebaarde hij tegen zijn vriend dat hij de brug als eerste mocht betreden.

Toen Diego en Paul achttien passen gezet hadden, leek de mist minder dik te worden. Af en toe scheen er een stuk van een prachtig groen landschap door de nevel heen. Voor de één leek het op de kliffen van Whitburn Point, niet ver van Newcastle. Voor de ander was het net alsof hij op de Reserva Ecológica Costanera Sur in Buenos Aires afliep. Hun harten vulden zich met moed en het tweetal stapte verder, totdat er achter hen opeens een luide gil klonk. 

“Wat was dat?” vroeg Diego geschrokken. “Weer die vogel?”

“Nee.” Paul schudde zijn hoofd. “Het klonk als een hinnikend ros.”

En zo gebeurde het dat twee briljante voetballers, Diego Maradona en Paul Gascoigne, een weg uit het mistige landschap van roem en druk vonden, terwijl hun metgezel erdoor opgeslokt werd.

Geen weg naar de top is gelijk, maar alle paden die bewandeld worden zijn geplaveid met misstappen. De roem en de druk; ze wachten op het moment dat je een fout maakt en straffen het genadeloos af, als Magere Hein op een mistig veld. Voor de één is zijn seis fataal, voor de ander werkt het als een spiegel.

Gino Weber was een uitzonderlijk getalenteerde voetballer. Hij was tweebenig en kon op beide vleugels uit de voeten. Zijn speelstijl werd vergeleken met Johan Cruijff en George Best. Hij leed aan borderline, een ziekte die mensen dwingt om voortdurend de grens op te zoeken. Gino raakte verslaafd aan alcohol en gokken. Uiteindelijk beroofde hij zichzelf op 18 juli 2003 van het leven. Voor hem lag een lege whiskyfles en een pakje antidepressiva. 

Het is te hopen dat Diego, Paul en iedereen die soortgelijke problemen heeft het aandurft om het houtwerk dat de kloof van roem en druk overbrugt te betreden. Want wachten in de mist is geen optie. De klok van het leven loopt alleen maar vooruit en kan niet stilgezet worden.

Notitie: Eén van de mooiste sportboeken die ik ooit gelezen heb, gaat over Gino Weber. Het is geschreven door zijn broer, Ben Weber. De broers speelden in het eerste van FC Twente. Ben zag zijn broer lijden, strijden, en uiteindelijk ten onder gaan. Hij beschrijft dit in het boek "Mijn broer Gino en ik". Of je nou een fan bent van FC Twente of niet, ik raad dit boek echt aan iedereen aan, want een ontroerender verhaal over leed, broederliefde en vriendschap bestaat er niet.

 

Leave a comment